Te veel van alles?

Foto door Nika Akin op Pexels.com

Het kan gebeuren dat je opeens met een andere blik kijkt naar de spullen waarmee je je omringt. Of je nu in een huis woont waar veertig jaar niet echt is opgeruimd, of als je de illusie hebt dat je al jaren heel erg minimalistisch leeft.

De laatste weken denk ik bij veel van wat ik zie ‘waarom heb ik dat eigenlijk?‘ en dan kom ik erachter dat ik het ook niet weet. Soms word je een beetje ‘bedrijfsblind’. De dingen staan er en vallen simpelweg niet meer op.

Dingen toevoegen is makkelijk. Vorig jaar kregen we een nieuwe kachel en de oude bleef op mijn verzoek staan, leuk voor op het terras en anders zou hij weggegooid worden. Maar hij staat daar maar, we gebruiken hem zelden. Hij wordt maandag afgehaald door iemand die dolblij ermee was, omdat hij de zijpanelen van de betreffende kachel al lang zocht. Mooi!

Mijn fiets? Ik geef het nog een poging en wordt het niets tussen ons, dan gaat hij op finn.no
De verzameling stroomdraadjes en kabeltjes moest uitgezocht. De helft kon weg.
Wat oude spullen van ’s mans vorige werk naar het oud ijzer.
Een door al het geruim overbodig geworden boekenkast.
Een lade met allerlei soorten kit, vijf jaar over de datum (ik kom daar ook niet elke week he).
De oude bus.
Wat boeken van de kinderen die ze niet lezen en ook niet gaan lezen.
De lamp boven de tafel die toch nooit aan was en slecht stof hapte.

Elke dag een beetje. Mijn dagelijks leven is vrij van rommel. Misschien dat het me daarom ook niet zo opvalt, de ‘clutter creep’. Toch, de dingen nemen zo geruisloos hun plek in in het huis, om het huis en in je leven en na een tijdje valt het niet meer op dat ze er zijn, ook al worden ze niet gebruikt. Of juist daarom.

Tot ik opeens weer de geest krijgt. En dan moet alles ondervraagd, opgeruimd, weggegooid, gesorteerd, schoongemaakt, verplaatst, ontdubbeld en wat er nog meer moet gebeuren om weer echt alleen dingen in huis te hebben die een doel dienen (altijd handig om te hebben is een doel volgens de man, daar leg ik me maar bij neer in het geval van zijn kabeltjes, lampjes, poedercoatspulletjes etc.)

Voor alles kan je een excuus bedenken. Soms lijkt het verspilling iets weg te gooien. Een grote voorraad cosmetica waar je nog tien jaar mee kan doen.
Een dure jas die je nooit meer draagt, tenzij je 6 kilo afvalt wat je heus wel gaat doen, als ze stoppen met chocolade maken.
Een lamp die ooit een goede vondst was.
Een tafel die op zolder staat sinds je een andere kocht maar waar je ooit nog wel iemand blij mee kan maken.
Dat dekentje dat je ooit nog aan je kleinkind wil geven (je dochter zelf is 12).
De hometrainer die je nog wel gaat gebruiken, als je weer de energie hebt.

Maar echt? Nee joh.

De lege ruimte, die maakt blij. Het is heerlijk je te ontdoen van de spullen die niet in je leven passen en dat vermoedelijk ook niet meer gaan doen. Want, wat heb je nu helemaal nodig in het leven?

Dat is voor mij het belangrijkste: wat heb ik daadwerkelijk nodig om goed te leven? Helpen de dingen die ik om me heen houd bij het leven zoals ik dat wil leven, of verhinderen ze me juist?

Dat hoeft echt niet puur fysiek te zijn zoals een gigantische eikenhouten kast. Ook iets dat relatief weinig ruimte inneemt, kan voelen als een last. Ook al is het ‘economisch’ gezien ‘verstandig’ om het ding te houden, toch kan het gewoon beter voelen om er afstand van te doen. Het geld is toch al uitgegeven, je laten ‘pesten’ door overbodige meuk is gewoon zelfkastijding en nergens voor nodig. Bevrijd de spullen, maak er een ander blij mee die het anders zou moeten kopen.

De rust die ik weer vind, is heerlijk. Hoewel de spullen me niet direct in de weg staan en weinig extra tijd kosten om te onderhouden, is het fijn dat het allemaal weer klopt.

Me ‘bevrijden’ van overtollige ballast, voelt altijd goed.

Niets is zo’n goede herinnering aan het feit dat ik niets nodig heb, als alleen het minimale bezitten. (minimaal = noodzakelijk + een beetje voor het gemak en de leuk).